Hoe een studierichting te kiezen wanneer je hoogbegaafd bent?

De proefpersonen uit het onderzoek van Terman hadden heel veel moeite om hun buitengewone intellectuele vaardigheden om te zetten in zinvolle, productieve jobs. Nog steeds ervaren jonge hoogbegaafde volwassenen problemen in het nemen van beslissingen omtrent studie- en jobkeuze. Multipotentialiteit blijkt hierbij de meest voorkomende oorzaak te zijn. Maar ook bij de zogenaamde ‘early emergers’, de vroegbloeiers zo je wil, gaat het niet altijd van een leien dakje.

Wat zijn de gevolgen van het hebben van té veel keuzes of juist een té nauw interessevlak bij hoogbegaafde jongeren?
Hoe kunnen zij een ‘juiste’ studiekeuze en zo een goede loopbaanplanning maken?
Hoe kan je er als ouders al van kleinsaf op inspelen?

Een ontbrekend element in de persoonlijke ontwikkeling van de meeste hoogbegaafden is dan ook een aangepaste studie- en loopbaanbegeleiding. Hoewel er ondertussen al heel wat studiekeuzebegeleidings- en loopbaancentra zijn, zien we dat deze zeer algemeen werken en zich niet specifiek genoeg richten naar hoogbegaafde jongeren en volwassenen.

Multipotentialiteit

De oorzaak van de besluiteloosheid bij hoogbegaafde leerlingen om tot een studiekeuze te komen is dikwijls te vinden in hun multigetalenteerdheid. Multipotentialiteit wordt gedefinieerd als het vermogen om een groot aantal competenties te verwerven op een hoog niveau. Het hebben van meerdere mogelijkheden geeft echter een gemengd gevoel: het kan zowel een vloek als een zegen zijn. Als een student steeds maar tienen haalt in heel wat vakken, dan kan hij geen keuze maken op basis van wat hij het beste kan. Het gebeurt daardoor dat de student gaat twijfelen tussen verschillende studiekeuzes en de keuze steeds maar gaat uitstellen. Uiteindelijk kiest de student dan een opleiding om diverse redenen:

  1. ofwel omdat de studie breed genoeg georiënteerd is (waarmee de keuze voor een job nog verder wordt vooruitgeschoven);
  2. ofwel uit conformisme met hun klasgenoten (mijn vriend of vriendin volgen deze studie ook);
  3. ofwel op basis van praktische overwegingen (deze universiteit ligt dichter bij huis)
  4. ofwel op basis van lucrativiteit (met deze opleiding verdien je later tenminste goed!).

Meestal wordt de uiteindelijke keuze dan niet gemaakt door de student zelf, maar door zijn omgeving die hem met allerlei rationele overwegingen in een bepaalde richting tracht te duwen, veelal goedbedoeld. Uit onderzoek blijkt dat er vooral studierichtingen worden gekozen als economie, marketing en communicatie, computertechnologie en engineering, (bio)-geneeskunde of rechten, wat vooral ‘veilige’ academische studies zijn. Er zijn heel wat minder getalenteerde jongeren die bewust kiezen voor talen, wiskunde, biologie, humane of sociale wetenschappen of een kunstrichting. Vooral  jongens ervaren veel druk om in een wiskundig-wetenschappelijke richting te zoeken, vooral als hun vaders zelf getalenteerd waren in deze vakken.

Het gevolg laat zich raden: een student die niet volkomen enthousiast is over de studie; die geen intrinsieke motivatie vindt om te studeren; die veel kans heeft de studie niet succesvol te  beëindigen en dan eender welke job aanneemt om toch maariets te doen. Of de student maakt de opleiding wel succesvol af, begint aan een job in deze sector maar vindt er geen voldoening in en eindigt daardoor een aantal jaren later met een burn- of bore-out zonder echt te weten wat de oorzaak hiervan is.

Ouders en leerkrachten uit hun vroegere school zijn teleurgesteld en staan voor een raadsel bij het mislukken van de carrière van deze nochtans getalenteerde jongvolwassene. Zij blijven erop aandringen dat ‘je toch alles kunt worden wat je maar wilt’, maar beseffen niet goed dat dàt nu net het probleem is. In tegenstelling tot gemiddelde studenten die hun studiekeuze baseren op het vak waar ze sterkst in zijn, moeten veel hoogbegaafde leerlingen een keuze maken op basis van totaal andere criteria dan hun bekwaamheid.

Early emergers

Als multipotentialiteit eerder een punt van zorg is voor de individuele leerling, dan zijn ‘early emergers’ vooral een bron van misverstanden en zorg voor hun ouders en de maatschappij in het algemeen. Deze vroegbloeiers zijn kinderen die al vanaf zeer jonge leeftijd een extreem gerichte interesse hebben. Omdat een zich vroeg uitende passie in een bepaald domein net een gemeenschappelijk kenmerk is van de kindertijd van eminente personen, dient dit vroege bloeien gezien te worden als een opportuniteit die goed begeleid dient te worden en niet als een ‘probleem’ dat verwaarloosd of zelfs helemaal gefnuikt wordt.

Om goed te kunnen begeleiden dient het opkomende talent vooreerst opgemerkt te worden waarna je trainingen en middelen kan aanbieden om deze vaardigheden verder te ontwikkelen. Maar bovenal moet je open-minded blijven betreffende de toekomst van dit talent of interesse.

Het gebeurt echter al te vaak dat het talent genegeerd wordt, niet gezien en aldus ook niet de middelen krijgt om te ontwikkelen. Talenten moeten niet alleen gezien worden in de traditionele academische gebieden, maar ook op vlak van creatief denken en leiderschap. Ouders en ook leerkrachten dienen zich bewust te zijn van het feit dat een kind vooral ook passie vertoont bij vrijetijdsactiviteiten, dat ook skateboarden of computerspelletjes een teken kan zijn van atletisch of ruimtelijk-visueel talent. Het negeren ervan omdat het zich voordoet in een spel kan schade brengen aan de loopbaanontwikkeling van de student.

De passie fnuiken van de vroegbloeier lijkt misschien niet makkelijk, maar het gebeurt al te veel door het talent te minimaliseren of door vooral aan te dringen op een brede ontwikkeling. Soms verbieden ouders of scholen de nodige vorming waardoor een talent dreigt te verdorren. Tenslotte kan ook een al te enthousiaste aanmoediging of een te hoge druk op het kind het intrinsieke plezier dat het kind voelt in zijn passie ontnemen.

In onderstaande tabellen vind je de kenmerken van multipotentialiteit en vroegrijpheid terug, van kindertijd tot volwassenheid.

Kenmerken multipotentialiteit

Basisschool:
  • moeite met het maken van een keuze als ze zelf een onderwerp voor een project moeten kiezen.
  • meerdere hobby’s met korte perioden van enthousiasme.
  • moeite met het afwerken en opvolgen van taken, ook die taken die leuk zijn.
  • uitstekende prestaties in veel of bijna alle schoolvakken.
Secundair onderbouw:
  • nog steeds moeite met besluitvorming.
  • nog steeds problemen met afwerken van taken.
  • nog steeds excelleren in veel of alle schoolvakken.
  • heel wat buitenschoolse activiteiten zonder duidelijke voorkeuren.
  • zeer volle weekplanning met weinig vrije periodes.
Secundair bovenbouw:
  • problemen en aarzeling bij het kiezen van een studie.
  • deelname aan heel veel schoolactiviteiten zoals sport, muziek, schoolkrant, toneelstukken en schoolparlement.
  • hoge cijfers in de meeste of toch veel vakken.
  • een zeer algemeen resultaat in testen naar beroepskeuzes, waarbij de interesse of overeenkomst met een ongewoon aantal beroepen vertoond wordt.
  • af en toe tekenen van stress en uitputting: afwezigheden, frequent of chronisch ziek, periodes van depressie of angst, met name tijdens drukke periodes.
Hogeschool/universiteit:
  • overhaaste of willekeurige studiekeuze, of de keuze maken die meerdere klasgenoten hebben gemaakt.
  • meerdere academische studies tegelijkertijd.
  • meermaals veranderen van studie.
  • nog steeds een intense deelname aan buitenschoolse activiteiten.
  • uitstekende academische prestaties.
  • bezorgdheid omtrent de carrièreplanning.
Volwassenheid:
  • meerdere banen op korte tijd
  • uitstekende prestaties in de meeste jobs
  • algemeen gevoel van gebrek aan aanpassing in de meeste banen.
  • gevoelens van vervreemding, doelloosheid, depressie en apathie ondanks de hoge prestaties en uitstekende evaluaties.
  • verschillende periodes van werkloosheid of werken onder niveau.
  • patroon van achterstand t.o.v. leeftijdsgenoten op gebied van loopbaan maar soms ook in de sociale ontwikkeling (huwelijk, gezin, betrokkenheid in verenigingsleven,…)

Kenmerken early emergers

Basisschool:
  • een gedreven interesse in slechts één activiteit of vak op school met enkel en alleen een algemene interesse voor andere onderwerpen of activiteiten.
  • een ongelijke talentontwikkeling, met een buitengewoon talent op één domein en een gemiddelde prestatie in andere domeinen. Dit kan soms verkeerd worden gelabeld als een onderpresteerder.
  • het verlangen om voor een werkstuk of spreekbeurt het onderwerp van interesse te verkiezen.
  • vroege fantasieën over succes en beroemd zijn in het interessegebied.
Secundair onderbouw:
  • nog steeds een zeer gerichte interesse.
  • sterk verlangen naar een goede vorming op het talentgebied.
  • een langzamere sociale ontwikkeling als gevolg van het te betrokken aan het werk zijn in het talentgebied.
  • hoge prestaties in het talentgebied, maar niet noodzakelijk op andere vlakken.
Secundair bovenbouw:
  • sterk ontwikkelde identiteit in het talentgebied.
  • een verlangen naar hulp bij het plannen van een carrière in het interessedomein.
  • verlangen om zijn vaardigheden te testen in concurrentie met of in samenwerking met collega’s in het talentgebied.
  • vervolg van hoge prestaties in het talentgebied, met mogelijke verwaarlozing van andere schoolvakken of sociale activiteiten.
Hogeschool/universiteit:
  • vroege studie- of loopbaankeuze.
  • verlangen naar voltooiing van de vorming om eindelijk eens van start te kunnen gaan.
  • op zoek naar een mentor in het interessegebied.
  • een continue, intense focus.
  • mogelijke verwaarlozing van sociale en buitenschoolse activiteiten.
Volwassenheid:
  • aanhoudende intense focus.
  • verlangen naar eminentie of excellentie in het talentgebied.
  • mogelijk afzien van of vertragen van andere aspecten van de volwassen ontwikkeling zoals huwelijk, opvoeden van kinderen, sociale en maatschappelijke betrokkenheid en persoonlijke ontwikkeling.

Begeleiding

Uit bovenstaande blijkt dat interventies al op een vroege leeftijd nodig zijn voor deze hoogbegaafde jongeren. Dit betekent niet dat zijn onder druk moeten worden gezet om heel vroeg een carrièrekeuze te maken. In plaats daarvan zou loopbaanontwikkeling, op maat van hoogbegaafde kinderen, moeten worden toegevoegd aan enerzijds de reguliere studiekeuzebegeleidingsprogramma’s op scholen of anderzijds aan programma’s voor hoogbegaafde leerlingen zoals verrijkingsklassen.

Loopbaanbegeleiding bij hoogbegaafde studenten moet niet alleen rekening houden met hun speciale behoeften op gebied van loopbaanontwikkeling, maar ook met hun voorkeur voor uitdagende materialen en methoden. Maar bovenal moet het worden gebaseerd op het ontdekken van een passie of doel in plaats van het zoeken naar een geschikte job. Niet het zichzelf leren verkopen, opstellen van cv’s of sollicitatie-vaardigheden dient te worden aangeboden, maar wel het leren inzien van het belang van deze zoektocht naar betekenis en zin geven aan het leven.

Begeleiding multipotentialiteit

Basisschool:
  • zorg voor realistische blootstelling aan de werkwereld. Deel informatie over je werk, toon ze je werkplek of die van vrienden en leraren die vakmannen zijn.
  • moedig fantasieën over latere jobs aan door verkleedpartijen en toneelstukken. Zorg voor een verkleedkist met rekwisieten.
  • moedig het kind aan zich te richten op activiteiten die het stellen van een doel en de opvolging ervan vereisen.
  • gebruik biografieën van uitblinkende personen als materiaal voor een eerste loopbaanbegeleiding. Discussieer rond het leven van eminente mensen in de wetenschap, kunsten, onderwijs, politiek en entertainment.
  • evalueer zorgvuldig de vaardigheden, talenten en interesses van het kind om het te helpen zijn grootste interesse te vinden.
Secundair onderbouw:
  • help je kinderen de betekenis en de waarde van arbeid te ontdekken.
  • bespreek gezins- en maatschappelijke waarden die betrekking hebben op werk.
  • hou een lijst bij van vrijwilligerswerk in verschillende interessegebieden.
  • zorg voor verschillende schaduw-ervaringen waarin de tiener een dag doorbrengt met een volwassene die werkzaam is in zijn grootste interessegebied.
  • ontmoedig een te groot engagement in sociale en vrijetijdsactiviteiten enkel en alleen omwille van het engagement, leer de jongere prioriteiten te stellen en te beslissen over slechts een paar buitenschoolse activiteiten.
Secundair bovenbouw:
  • zoek naar geschikte beroepskeuzetesten om interesses, persoonlijkheidskenmerken en vooral waarden te ontdekken.
  • bezoek een aantal hogeschool- of universiteitscolleges in een paar van de interessegebieden.
  • stimuleer uitgebreider vrijwilligerswerk.
  • maak een lijst met mogelijkheden van betaalde stages bij professionelen in het veld.
  • zorg voor begeleiding met de nadruk op het kiezen van een job die voldoening biedt volgens de diepere kernwaarden.
  • ontmoedig conformistische, stereotiepe loopbaankeuzes.
Hogeschool/universiteit:
  • zorg voor loopbaanadvies dat testen van interesses, behoeften en waarden omvat.
  • moedig aan om in te schrijven voor loopbaanbegeleiding.
  • help om de juiste opleiding te selecteren.
  • help een mentor te vinden.
  • help om langetermijndoelen te stellen en post-universitaire vorming te plannen.

Begeleiding early emergers

Basisschool:
  • zoek hulp om ongewone talenten of domeinen vroegtijdig te kunnen identificeren.
  • bespreek de ‘nature and nurture’ van bijzondere gaven of talenten met experten.
  • neem contact op met de leerkrachten over de manier waarop het talent kan gestimuleerd worden.
  • moedig het fantaseren over jobs aan door het lezen van bibliografieën en rollenspel.
  • biedt mogelijkheden om te leren over eminente personen in het talentgebied.
  • help leraren manieren te vinden om andere, noodzakelijke basisvaardigheden te laten aansluiten op het interessegebied.
  • maak een lijst van mogelijkheden om kinderen met vergelijkbare intense interesses te ontmoeten.
  • tracht een evenwicht te vinden tussen stimuleren en laissez-faire.
  • ga niet zo op in het talent dat je niet merkt dat het kind van interesse is veranderd.
Secundair onderbouw:
  • zorg voor steun en aanmoediging tijdens de intensieve vorming die op dit moment vaak begint.
  • moedig aan om veel tijd alleen voor zichzelf te zoeken.
  • bied mogelijkheden om een professional in het interessegebied een hele werkdag te volgen.
  • bied mogelijkheden voor licht vrijwilligerswerk in het talentgebied.
  • leg niet teveel druk om deel te nemen aan sociale activiteiten.
Secundair bovenbouw:
  • ga verder met aanmoedigen, steunen en het geven van tijd voor zichzelf.
  • zoek mogelijkheden voor stages of werkervaring in het interessedomein.
  • zorg voor referenties van loopbaancentra die vertrouwd zijn met het talent of zoek professionelen op dat gebied.
  • help een gedetailleerd plan op te maken van vormingen en opleidingen die leiden naar het gekozen doel, met inbegrip van financiële regelingen.
  • moedig de jongere aan om hoger onderwijs of post-universitaire opleidingen vroeg en grondig te gaan verkennen.
  • help een mentor te zoeken in het domein van interesse.
Hogeschool/universiteit:
  • bied ondersteuning voor verder onderwijs en opleiding.
  • moedig verdere ontwikkeling van de kennis aan door bijwonen van conferenties,…
  • stimuleer een voortdurende relatie met een loopbaanadviescentrum of professionele begeleiding bij besluitvorming en oplossen van problemen.
Vrij naar en meer informatie omtrent multipotentialiteit en ‘early emergers’ bij
Cleoslab in A Handbook for Consulting with Gifted and Talented van Ph.D. Barbara Kerr.
Copyright © 2017 Sabine Sypré, Hoogbloeier cvba, Gent – Alle rechten voorbehouden. Niets uit dit artikel mag worden verveelvoudigd, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur: info@hoogbloeier.be. Online delen mag mits vermelding van auteur en link naar dit artikel.