Hoe komt het dat zoveel hoogbegaafden een misdiagnose krijgen?

Je herkent het misschien wel: je komt bij het eerste oudercontact van je zoon en de leerkracht vertelt dat je kind wel héél energiek is, dat het helemaal niet kan stilzitten, dat het hangt op zijn stoel of soms erop gaat staan,… En dan komt het hoge woord eruit: ‘Het lijkt me toch wel wat ADHD-gedrag!’ Of de juf tikt je even aan op de speelplaats en vertelt ‘dat ze het toch zo jammer vindt dat je dochtertje zich zoveel terugtrekt in de klas en op de speelplaats staat zij steeds maar helemaal alleen, misschien moet je wel eens verder kijken?’

Waarom worden zoveel hoogbegaafden verkeerd gediagnosticeerd?
Hoe komt het dat er zoveel linken te leggen zijn tussen hoogbegaafdheid en autisme, AD(H)D, oppositioneel gedrag, zelfs depressie?
Wat kan Dabrowski hieraan toevoegen?

Probleemgedrag

Let op: leerkrachten zijn niet bevoegd om ook maar een vermoeden van een stoornis door te geven, maar af en toe lees je toch tussen de lijnen door dat er iets aan de hand is met je kind. Veelal wordt dit versterkt door uitingen van mensen uit je eigen omgeving, door je ouders of vrienden die op bezoek komen. Een zaadje is geplant en in ons hoofd begint het te groeien, zou het toch niet…?

Op zoek naar een antwoord voor het gedrag van hun kind gaan ouders dan naar een centrum dat gespecialiseerd is op gebied van ADHD, resp. autisme of andere stoornissen, wat begrijpelijk is want je wilt toch het beste voor je kind? Het gevaar hierbij is dat je heel waarschijnlijk wel een label krijgt van een bepaalde stoornis, maar dat de hoogbegaafdheid van je kind niet eens ontdekt wordt. Vooral als het kind al aan het onder-presteren is, zit de mogelijkheid erin dat het zelfs op een IQ-test onder zijn eigenlijke niveau scoort en de hoogbegaafdheid dus helemaal niet tot uiting komt.

En na de diagnose komt een handelingsplan voor deze bepaalde stoornis, waarbij wellicht ook gedacht wordt aan medicatie. Er is echter op geen enkel moment sprake van begeleiding voor de hoogbegaafdheid; er is enkel aandacht voor de stoornis. En het gedrag, dat kan verbeteren, maar dikwijls ook niet. De schuld wordt volledig bij het kind en zijn brein gelegd, maar aan omgevingsfactoren, laat staan aanpassing hiervan, wordt niet eens gedacht.

Oorzaak van misdiagnose

Het gaat in de eerste plaats om een gedrag van het kind. Hij of zij gedraagt zich op eenzelfde manier als kinderen met ADHD, kinderen die autistisch zijn,… Daarenboven gaat het om gedrag dat storend ervaren wordt door de omgeving. Veelal heeft het kind zelf er weinig of geen last van. Het zijn de leerkrachten die het vervelend vinden dat een kind niet kan stilzitten of er antwoorden uitfloept, die het raar vinden dat een kind teruggetrokken en verlegen is. Je ziet ook dat het gedrag heel erg afhankelijk kan zijn van de omgeving waarin het kind vertoeft. Komt dit gedrag enkel voor op school of is het ook thuis aanwezig, in de scouts, elders…?

Ongelukkig genoeg worden diagnoses veelal gemaakt op basis van deze gedragskenmerken waarbij weinig rekening wordt gehouden met de eigenlijke oorzaak van dit gedrag, noch of het gedrag binnen een bepaalde context misschien wel normaal te noemen is. Gedrag dat past binnen de ene omgeving (bv. gezin) kan problematisch gezien worden in een andere omgeving (bv. klas). Pas nadat een bepaald gedrag niet meer getolereerd wordt, noemen we het een ‘afwijking’ en gaan we op zoek naar een diagnose. Dit wordt bepaald aan de hand van een handboek, de DSM IV (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders), waarin criteria worden opgesteld voor verschillende diagnoses van psychiatrische stoornissen. Deze stoornissen zijn niet ontdekt, maar worden gedefinieerd door Amerikaanse psychiaters. Zij beslissen of een bepaalde gedraging wel of niet in het handboek moet worden opgenomen, gedragen door wetenschappelijk onderzoek en de publieke opinie. Door massaal protest is bv. homoseksualiteit in het jaar 1973 uit het handboek gehaald.

Het probleem bij de DSM IV is dat de criteria nogal vaag zijn en niet echt meetbaar. In de gedragscriteria voor bv. ADHD staat in elke voorwaarde het woordje ‘vaak’. Maar wat is vaak? Is het drie keer per dag opstaan van zijn stoel ‘vaak’? Of denk je eerder aan drie keer per uur? Daarnaast zijn de kenmerken nogal vaag en kunnen ze zowel heel streng als heel breed worden toegepast. Kijk maar eens in volgende artikels voor de DSM-kenmerken van ADHD (link leggen) en autisme (link leggen).

Een tweede belangrijke oorzaak bij mis-diagnoses is dat die gesteld worden door nochtans heel intelligente mensen, die heel waarschijnlijk expert zijn op hun gebied, maar die totaal geen kaas gegeten hebben van hoogbegaafdheid. Hoe kan het ook anders als psychologen, psychiaters, pediaters,… in hun opleiding niet of nauwelijks geleerd hebben over de emotionele, intellectuele en gedragskenmerken van hoogbegaafde kinderen en volwassenen?

En als derde en laatste oorzaak moet gezegd worden dat heel wat kenmerken van hoogbegaafd gedrag wel degelijk aanleiding kunnen geven tot verkeerde diagnoses. Een nagenoeg algemeen kenmerk van hoog-begaafdheid is intensiteit. Als een hoog-begaafd kind enthousiast is, dan is het zéér enthousiast; als het verdrietig is, dan is het immens verdrietig; als het blij is, dan is geen glimlach groot genoeg op zijn gezichtje;…

Dabrowski

Deze intensiteit bij hoogbegaafden is lang onderzocht door Kasimierz Dabrowski, een Pools psychiater. Hij heeft het over ‘overexcitabilities’, een soort overprikkelbaarheid (wat jammer genoeg een pejoratieve klank heeft, maar een betere vertaling vind ik niet) in verschillende domeinen.
De hoogbegaafdheid zelf komt meestal tot uiting in een intellectual overexcitability nl. gebeten om te weten, kennissponzen, intens nieuwsgierig, leergierig, plezier hebben in uitdagende hersenbrekers enz. Dit kan tot gevolg hebben dat ze iets effectief ook beter weten in de klas waar ze het ene na het andere (juiste!) antwoord eruit floepen en zo wellicht impulsief worden genoemd en dus ADHD-gedrag vertonen. Of ze hebben zo’n sterke eigen wil waardoor ze eigengereid en eigen-zinnig worden genoemd, dat aanleiding kan geven tot een diagnose van ODD (Oppositional Defiant Disorder). Of ze zitten met hun hoofd constant in de wolken, diep na te denken waardoor ze geen aandacht hebben voor de omgeving en aldus verkeerdelijk een label ADD (Attention Deficit Disorder) kunnen opgesteld krijgen. Kinderen die zich vervelen in de klas zijn meestal ook niet aandachtig!

Ook hoogbegaafde kinderen die een intensiteit ervaren op gebied van imaginational overexcitability verkrijgen dikwijls diezelfde diagnose van ADD. Zij hebben een beeldende fantasie en kunnen nogal dromerig overkomen waardoor de indruk wordt gewekt dat ze met aandachtstoornissen te kampen hebben.

Eén van de eerste zaken die ouders dikwijls opmerken bij hoogbegaafde kinderen is hun intensiteit op gebied van emoties, emotional overexcitability. De intense gevoelens vind je terug in compassie, empathie en sensitiviteit, maar ook in intense gevoelens van angst, boosheid of ongerustheid. Hier ligt het gevaar op de loer dat ze bestempeld worden als zijnde depressief, bipolair of opnieuw met ODD worden geconfronteerd.

De sensual overexcitability die staat voor hoogsensitiviteit geeft meestal weinig aan-leiding tot verkeerde diagnose, hoewel de hooggevoeligheid hen wel parten kan spelen als ze in stresssituaties vertoeven en hun gemoed omslaat in boosheid, frustratie of zich uit in psychosomatische klachten.

De laatste is dan weer de psychomotor overexcitability die heel veel doet denken aan ADHD-gedrag, de hyperactieve kant van deze aandachtstoornis. Deze kinderen hebben een intense drive, moéten bewegen, kunnen bijgevolg niet stilzitten, klikken met hun balpen of tokkelen met de vingers op de bank en praten heel snel. Dit bewegen belemmert het kind zelf niét in zijn leren, maar het kan anderen wel storen waardoor de vraag wel eens kan gesteld worden om toch maar verder te onderzoeken!

Mogelijkheden

Aan leerkrachten zou ik willen vragen om beter op de hoogte te zijn van hoogbegaafdheid, in de eerste plaats over hoe je deze kinderen zo vroeg mogelijk kunt signaleren en hierbij vooral ook de onderpresteerders niet vergeet! Pas wanneer u als leerkracht eerst aan hoogbegaafdheid denkt zal een vermoeden van een andere stoornis minder kans krijgen zich te manifesteren.
Aan ouders zou ik willen vragen om van zodra je een vermoeden hebt van hoogbegaafdheid bij je kind, je dit best zo snel mogelijk laat vaststellen vooraleer er aan andere zaken wordt gedacht. Uiteraard is dit niet zo eenvoudig omdat je als ouder meestal zelf niet goed op de hoogte bent van wat hoogbegaafdheid nu juist inhoudt. Ook hier is het dus nodig om ouders correct te informeren.
Uiteraard is het ook nodig als psycholoog, psychiater, pediater of arts om ook hier goed geïnformeerd te worden over hoogbegaafheid.

Naast correcte informatie en signalering is het testen zelf van groot belang en dan met name wie de testafnemer is. Laat uw kind testen door iemand die wél op de hoogte is van gedrag en kenmerken van hoogbegaafden, naast een eventuele expertise op ander gebied. Eventueel kan het testen door een multidisciplinair team een mogelijkheid zijn.

En als laatste punt van aanpak zou ik willen pleiten voor het aanpassen van de omgeving in plaats van het labelen van een kind en het aldus op te zadelen met een schuldgevoel. Kijk naar het gedrag van het kind en zoek niet naar de oorzaak, maar naar oplossingen voor dit gedrag. Zo kan je beweeglijke kinderen in de klas eens laten rechtstaan, een beweeg-oefening laten doen na een halfuur concentratie, het even de speelplaats laten rondrennen om zijn energie kwijt te kunnen of het iets naar de directeur laten brengen. Of kinderen die snel afgeleid zijn kan je behelpen met pictogrammen, stappenplannen of bij een toets apart zetten of zelfs met een Studybuddy laten werken (soort kastje rond de bank). En een kind dat last heeft van teveel lawaai kan je makkelijk minder last bezorgen door het een koptelefoon op te zetten bij zelfstandig werk. Zoek naar oplossingen, probeer ze uit en als het niet werkt, zoek je best naar iets anders. En in laatste instantie pas ga je doorverwijzen.

Meer hierover kan je lezen in het boek van Webb, J. (2013)
Misdiagnose van hoogbegaafden
Copyright © 2016 Sabine Sypré, Hoogbloeier cvba, Gent – Alle rechten voorbehouden. Niets uit dit artikel mag worden verveelvoudigd, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur: info@hoogbloeier.be. Online delen mag mits vermelding van auteur en link naar dit artikel.