Waarom het zo moeilijk is om hoogbegaafde kinderen voor te bereiden op het secundair onderwijs.

Ooit kreeg ik de vraag of het niet belangrijk is dat hoogbegaafde kinderen ook in het lager onderwijs al een – relatieve – inspanning moeten leren doen zodat ze in het secundair onderwijs dan niet minder problemen zouden hebben.

Het grote probleem van hoogbegaafde kinderen is dat de relatie inspanning-bekwaamheid voor hen meestal omgekeerd evenredig is. Een lage inspanning wordt gekoppeld aan slim zijn en kinderen die een inspanning moeten leveren, worden aldus als minder slim beschouwd.

Dit komt omdat een hoogbegaafd kind al zijn hele basisschooltijd boodschappen te horen heeft gekregen zoals ‘dat was makkelijk voor jou’, ‘goed geantwoord, je moet wel heel slim zijn’, ‘tuurlijk kan jij dat goed, want jij bent toch slim’. Als je dit je hele kinderleven hoort, dan gaat een deel van deze kinderen lage inspanning aan hoge intelligentie koppelen. Volgens Carol Dweck kan tegen de vroege adolescentie een ‘fixed mindset‘ – of anders gezegd een vaststaand zicht op intelligentie – al een feit zijn. Doordat het kind inzet aan intelligentie koppelt, begint het taken en opdrachten als een haat-relatie te zien, want het komt niet overeen met de identiteit die hij ontwikkeld heeft.

Het is heel moeilijk voor een hoogbegaafd kind om een ‘growth mindset’, waarbij intelligentie niet vaststaand is, maar modificieerbaar, te ontwikkelen. Er wordt gevraagd om als leraar en ouder zoveel mogelijk het leerproces te benadrukken en niet het eindresultaat, de progressie in het werk te beoordelen en niet de perfectie te verwachten, maar dit is zeer moeilijk, vooral bij kinderen waar nagenoeg alles, soms ook buitenschools, vanzelf gaat. Hoe kun je inspanning en inzet gaan benadrukken, als ze niet eens een minieme inspanning moeten leveren om punten te behalen of om dat muziekstuk te onder de knie te hebben?

Het best zou zijn dat deze leerlingen geen reguliere klastoetsen meer zouden maken, maar dat ze beoordeeld zouden worden op hun eigen toetsen. Hiermee bedoel ik dat er geen vergelijkende evaluatie meer met andere kinderen mag zijn (meestal zijn ze toch de beste), maar dat er een vergelijking moet komen met wat ze vorige keer presteerden waardoor zo de progressie in hun eigen leren gezien kan worden. Zo leren ze zichzelf evalueren en moeten ze niet meer gemotiveerd raken door externe evaluatie; zo kan een externe motivatie opnieuw omgebogen worden naar een intrinsieke motivatie.

Er zijn dus een aantal hoogbegaafde kinderen – gelukkig niet alle – die in het eerste middelbaar komen en met hun ‘fixed mindset’ tegen hun eerste, grotere, faalervaring aanlopen. Hierdoor komen ze in problemen met hun eigen identiteit die heel erg gebaseerd was op dat hoogbegaafd-zijn: ‘Tiens, ik was toch slim, ik zou dat toch moeten kunnen?’ – zonder inspanning, welteverstaan. Het resultaat is dat hun zelfvertrouwen enorm zakt. Zelfs als ze zich toch hebben ingezet, en ze krijgen hiervoor een gemiddeld cijfer, dan is het gevolg hiervan nog slechter. Dan gaan ze vermijdingsgedrag vertonen voor de volgende keer, want waarom zou je je inzetten als dat niet eens echt succes oplevert, je kan je dan beter helemaal niet meer inspannen. Of ze leggen hun lat veel te hoog (‘ik ga dat toch niet kunnen’), of gewoon veel te laag (‘met 55% heb ik voldoende’). Eens ze in deze spiraal zitten, is het nog zeer moeilijk om hier weer uit te komen.

Vele scholen geven hun hoogbegaafde leerlingen dan een cursus ‘leren leren‘, omdat ze ervan uitgaan dat het deze onderpresteerders ontbreekt aan organisatievaardigheden, studiegewoonten,… Maar deze vaardigheden zijn ondergeschikt aan hun karakterontwikkeling, waardoor de cursus ‘leren leren’ – wat uiteindelijk relatief makkelijk aan te leren gewoontes zijn – eigenlijk tijdverspilling is. De vaardigheden die ze ontbreken zijn veel fundamenteler: geen zelfdiscipline, geen initiatief nemen, geen volhardendheid, geen eigen verantwoordelijkheid nemen, afhankelijk zijn van anderen, maken van excuses, liegen tegen zichzelf en anderen, ontbreken van zelfkennis. Om hieruit te geraken is een echt stappenplan nodig tussen school, kind en ouders waarin iedereen goed weet hoe zo’n hoogbegaafde onderpresteerder denkt en waarbij een goede communicatie noodzakelijk is.

Mijn punt nu is dat inspanning leveren in het lager onderwijs en deze inspanning belonen een fabeltje is zolang hoogbegaafden in de reguliere klasruimte blijven én hetzelfde werk moeten doen als hun klasgenoten. Pas wanneer er echte individuele leermogelijkheden zouden zijn in het lager, kunnen ze inspanning gaan koppelen aan progressie of bekwaamheid, maar dan recht evenredig. Helaas is dit voor de meeste scholen niet het geval. Ook een kangoeroe- of plusklas van twee uurtjes per week is hiervoor niet het geschikte middel. En een vakversnelling of een volledige klas overslaan ook niet echt want ook daar blijft het leerstof dat ontworpen is voor het gemiddelde kind maar dat gewoon op een jongere leeftijd wordt gegeven aan de hoogbegaafde leerling. Een aparte leerlijn voor deze kinderen is nodig, maar helaas hier in Vlaanderen momenteel moeilijk te realiseren. We hebben in onze lerarenopleidingen nood aan specialisten in ‘gifted education’ zodat onze toekomstige leerkrachten de echte noden van hoogbegaafden leren begrijpen en hierop gepast kunnen op inspelen.

Copyright © 2016 Sabine Sypré, Hoogbloeier cvba, Gent – Alle rechten voorbehouden. Niets uit dit artikel mag worden verveelvoudigd, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur: info@hoogbloeier.be. Online delen mag mits vermelding van auteur en link naar dit artikel.